Ziektes en aandoeningen

De meest voorkomende ziektes en de diagnoses, behandelingen en prognoses staan hieronder beschreven. Heeft u vragen of twijfelt u over de gezondheid van uw vogel(s)? Neem dan contact op met het vogelziekenhuis. 

  • Aspergillose
  • Atoxoplasmose
  • Campylobacter
  • Candida albicans / kropverzuring
  • Chlamydia psittaci / papegaaienziekte
  • Coli / Zweetziekte / Adenovirus / E. Coli complex
  • Kliermaag verwijdingssyndroom
  • Paramyxovirus / PMV / Pseudovogelpest
  • Parasieten
  • Bek- en vederrot / PBFD / Psittacine Beak and Feather Disease
  • Pokken / hapziekte
  • Polyoma / Kruipersziekte
  • Salmonella
  • Voedingsproblemen

Aspergillose

Aspergillose is de naam van de ziekte die door Aspergillus soorten veroorzaakt wordt. Aspergillus is een schimmel. Deze schimmel verspreidt zich door het vormen van draden en kan zich zo over een oppervlak verspreiden. Vermenigvuldiging is door het vormen van sporen. Dit zijn minuscuul kleine deeltjes die zich door de lucht verspreiden.

Aspergillus fumigatus is de meest voorkomende Aspergillus soort die ziekte bij vogels veroorzaakt. Ook Aspergillus flavus en Aspergillus niger worden wel gevonden, maar minder vaak.

Het is een schimmel die van nature bijna overal in de omgeving voorkomt. Vogels kunnen besmet raken door sporen in te ademen. Of een besmetting met de sporen ziekte veroorzaakt ligt voor een groot deel aan de conditie van de vogel. Een gezond dier die goede voeding krijgt zonder tekorten, zal in de meeste gevallen de ingeademde sporen zelf aan kunnen pakken, en er zal geen ziekte ontstaan. In gevallen van besmetting met grote aantallen sporen, kan ook een gezonde vogel ziekte ontwikkelen.

Een vogel kan ook gevoeliger zijn voor een infectie met Aspergillus na behandeling met bepaalde antibiotica en met medicijnen die de weerstand verlagen (corticosteroïden). Als de Aspergillus niet opgeruimd wordt door het lichaam, zal hij zich vermenigvuldigen en ziekte veroorzaken. De grootste problemen worden bij vogels vaak in de luchtwegen gezien.

Aspergillose kan een acuut of chronisch verloop hebben. Bij een acute vorm slaan de schimmelsporen op verschillende plekken aan en zorgen zo voor een grote infectie in geheel het lichaam. Behalve de luchtwegen kunnen ook bijvoorbeeld de lever en nieren aangetast worden. De vogel zal snel zeer ziek worden, niet willen eten en moeite hebben met ademen. Vaak drinken ze veel en kan de ontlasting groen gekleurd zijn. Ze kunnen zelfs plotseling overlijden zonder duidelijke ziekteverschijnselen.

De chronische vorm komt vaker voor. Hierbij groeien de schimmels langzaam uit vanuit één of meerdere plekken in het lichaam (vaak begint het in de luchtwegen). Ze vormen plakkaten en granulomen (knobbelige massa’s) van schimmel.

De schimmel kan op verschillende plaatsen in het lichaam aanslaan. Zo kunnen schimmelplakkaten in de neus of in de keelspleet zitten, ook slaan ze vaak aan in de luchtzakken. Hier bedekken ze de wand en kunnen zelfs de verbinding naar de longen afsluiten.

Sporen die gevormd worden verspreiden zich langzaam door het lichaam. Dit kan een erg sluipend proces zijn. De vogels zijn niet acuut ziek, maar verliezen conditie, kunnen wat sloom zijn en wat meer slapen. Vaak is benauwdheid aanwezig, vooral na inspanning.

Als de schimmel in de luchtpijp in de buurt van de syrinx (stembanden van vogels) zit, kan het stemgeluid veranderen. Het probleem bij deze vorm van de ziekte is, dat vaak pas hulp gezocht wordt als de schimmel zich al ver verspreid heeft. Dit maakt de behandeling moeilijker. Bij de chronische vorm van schimmel kan plotseling verslechtering optreden, dit kan bijvoorbeeld komen doordat een schimmelprop loslaat en (een deel van) de luchtpijp verstopt. Hierdoor kan de vogel geen/weinig lucht meer binnenkrijgen en ontstaat een acuut levensbedreigende situatie.

Diagnose

De diagnose van aspergillose kan op verschillende manieren gesteld worden. Er kan een swab genomen worden van neus, keelspleet of bovenste deel van de luchtpijp. Het materiaal wat hierdoor verkregen wordt kan onder een microscoop bekeken worden. Hier kunnen de schimmeldraden gezien worden.

Als de schimmelinfectie zich beperkt tot de luchtzakken, kunnen de swabs van de voorste luchtwegen een negatieve uitslag geven. De diagnose kan dan gesteld worden door rechtstreeks in de luchtzakken te kijken. Dit kan met een endoscoop, een kleine camera aan het einde van een smal buisje. Hiermee zijn dan de schimmelplakkaten en granulomen te zien die de wand van de luchtzakken kunnen bedekken.

Röntgenfoto’s en bloedonderzoek kunnen helpen met het stellen van de diagnose, maar leveren niet altijd een duidelijk beeld op.

Behandeling

Er zijn verschillende opties om de schimmel aan te pakken. Ze hebben allemaal met elkaar gemeen dat het vaak een langdurige behandeling zal worden, vanwege de uitgebreidheid van de ziekte. Op dit moment is er in Europa slechts één diergeneesmiddel op de markt wat speciaal is geregistreerd voor siervogels.

In de registratieprocedure is een groot onderzoek gedaan waarbij de veiligheid en de werkzaamheid zijn onderzocht. Omdat er bij vogels relatief weinig bekend is over hoe een medicijn zich in het lichaam gedraagt, is een goed onderzocht, geregistreerd diergeneesmiddel belangrijk, om de kans op onverwachte bijwerkingen of verminderde werkzaamheid zo klein mogelijk te maken.

Het medicijn bevat itraconazol, dit is een middel wat de schimmelgroei stopt, en de wand van de schimmel beschadigd. Het eigen afweerapparaat van de vogel zal de resterende schimmel opruimen. Dit medicijn moet in de snavel of door wat voer gegeven worden.

Bij grote schimmelproppen in bijvoorbeeld de luchtpijp, neus of luchtzakken kan geprobeerd worden deze  (eventueel gedeeltelijk) weg te halen met een operatie. Hiervoor moet de vogel onder narcose. Naast de behandeling van de schimmel is het ook uiterst belangrijk om de achterliggende oorzaak te vinden. Vaak zal de voeding aangepast moeten worden. Ook andere infecties, zoals met een virus of parasiet, kunnen de weerstand zo verminderen dat een schimmelinfectie kan aanslaan.

Atoxoplasmose

Deze ziekte komt voor bij verschillende soorten vogels, maar wordt vooral gezien bij zangvogels. Bij deze vogels wordt de ziekte ook wel dikke-leverziekte genoemd. De lever raakt vergroot en bol. Omdat de huid bij kleine vogeltjes zo dun en transparant is schemert de lever door de huid heen, halverwege de buik is dan een grote donkere vlek te zien.

De ziekte wordt veroorzaakt door Atoxoplasma serini, dit is een ééncellige parasiet die verwant is aan coccidiën. In tegenstelling tot de coccidiën die vooral in de darm problemen geven, zit A. serini op meer plekken in het lichaam. Het begint in de bloedcellen en verspreidt zich zo naar andere organen waaronder lever, milt en darmen.

Volwassen vogels kunnen drager zijn van de parasiet en zelf geen of weinig verschijnselen laten zien. Wel zitten er in de ontlasting oöcysten (een soort ei-pakketjes) waardoor ze andere vogels en hun jongen kunnen besmetten.

Jonge vogels ontwikkelen vaker ziekte na besmetting. De verschijnselen zijn vaag. De vogels vermageren wat, zitten bol en kunnen diarree hebben. Vaak kan de vergrote lever door de buikhuid gezien worden als een donkere vlek. Jonge vogels kunnen acuut ziek worden en bij een ernstige infectie kan zelfs 80% sterven.

Behandeling wordt bemoeilijkt doordat de parasiet ook op plaatsen gaat zitten waar geen of weinig toegang is tot medicatie (zoals pezen en gewrichten). Na het stoppen van de kuur kan het dan ook weer terugkomen, doordat de onbereikbare parasieten zich weer gaan vermenigvuldigen. Besmetting vindt plaatst doordat de vogel oöcysten opneemt. Deze worden door zieke vogels met de mest uitgescheiden.

Diagnose

Dit is lastig omdat zieke vogels niet iedere dag de oöcysten in de ontlasting hebben zitten. Deze worden wisselend uitgescheiden, en met ontlastingsonderzoek zal de diagnose dus niet altijd gesteld kunnen worden. De beste manier om de ziekteverwekker te vinden is om bij dode vogels de lever en milt te bekijken. Onder de microscoop kunnen de parasieten gezien worden in cellen van deze organen. Ook het beeld van de dode vogel kan al een sterke verdenking op de ziekte opleveren.

Behandeling

Dit gebeurt met medicatie die de parasieten doodt. Het probleem is echter dat de vogels gemakkelijk opnieuw besmet worden en dat het moeilijk is de parasiet compleet uit te roeien.

Een manier van behandelen waarbij goede resultaten worden gezien, is het twee dagen per week behandelen van de vogels. Er wordt vervolgens vijf dagen rust genomen. Dit wordt gedurende twee maanden herhaald. Op deze manier is de kans het grootst de invloed van de parasiet kwijt te raken.

Daarnaast is uiteraard een goede hygiëne in de hokken erg belangrijk. Dit voorkomt dat de vogels veel oöcysten kunnen opnemen en zich zo continue herbesmetten. Ondanks een uitgebreide behandeling is het moeilijk om de parasiet compleet uit een volière weg te krijgen.

Campylobacter

Campylobacter jejuni is een bacterie die bij veel verschillende soorten vogels voorkomt. Papegaaiachtigen kunnen zich met de bacterie besmetten, maar er worden maar weinig problemen gezien. Vinken en kanaries zijn wel erg gevoelig. Ook bij pluimvee en duiven kunnen problemen voorkomen. Campylobacter heeft meer kans op het veroorzaken van ziekte als er al een andere bestaande infectie is.

Vogels besmetten zich door het opnemen van de bacterie met de bek. De bacterie veroorzaakt leverontsteking. Hierdoor worden de vogels sloom. Ze stoppen met eten. Ook raken de darmen en alvleesklier ontstoken. Hierdoor kunnen de vogels een deel van het voer niet meer goed verteren. Er ontstaat hierdoor geelgekleurde of lichte diarree. De vogels worden vaak snel mager.

Vooral vinken en kanaries, en dan in het bijzonder de jongen, kunnen in grote getale sterven. Vogels met een goed werkend afweerapparaat kunnen de bacterie ook zelf overwinnen.

Diagnose

De verschijnselen kunnen al een sterke verdenking van de ziekte geven. Na kleuring kan de bacterie op een uitstrijkje herkend worden. Materiaal hiervoor kan ontlasting zijn of organen van overleden vogels. Kweken van Campylobacter is lastiger dan de meeste bacteriën, er zijn speciale kweekplaten nodig en een omgeving met een beperkte hoeveelheid zuurstof.

Behandeling

De behandeling is met antibiotica. Vogels kunnen zich gemakkelijk herbesmetten via de omgeving, vaak wordt een terugkeer van de bacterie, en dus de ziekte, gezien als de antibioticakuur afgelopen is. Het is dus erg belangrijk een goede hygiëne in de volière te krijgen.

Zoals bij alle infecties met bacteriën helpt het om te zorgen dat de normale flora van de darm gezond is. Dit kan bevorderd worden door een probioticum door het voer of drinkwater. Hierdoor zal een besmetting met een ziekteverwekkende bacterie minder snel aanslaan.

Candida albicans / kropverzuring

Een van de meest voorkomende schimmelachtigen die voor problemen zorgt bij vogels is Candida albicans.

Candida is een gist. Het is een organisme dat uit één cel bestaat, en ze vermenigvuldigen zich door te delen. Bij de juiste omstandigheden kan de hoeveelheid Candida zich in een korte tijd sterk uitbreiden. Candida kan bij gezonde vogels in het spijsverteringskanaal voorkomen. Het is dan een onderdeel van de normale flora. Het evenwicht in de darm kan echter verstoord raken. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de normale darmbacteriën gedood worden door een antibioticakuur. In zo’n geval kan Candida zich ongeremd vermenigvuldigen en ziekte veroorzaken. Bij jonge dieren kan dit ook komen doordat het afweerapparaat nog niet voldoende ontwikkeld is.

Hoe ziek een vogel wordt is afhankelijk van de verdere conditie. De meeste problemen met Candida worden gezien in het spijsverteringskanaal.

Een van de bekendste ziektes waarbij Candida een rol speelt is kropverzuring. Dit wordt het meest gezien bij jonge vogels. Vaak is de krop het enige deel van het spijsverteringskanaal dat aangetast is, maar ook de spier- en kliermaag kunnen aangetast zijn. Bij een infectie met Candida sterven de cellen van de binnenbekleding van de krop af. Hierdoor ontstaan witte plakkaten van afgestorven slijmvlies. Ook wordt er witachtig tot helder slijm gevormd.

Kropverzuring bij jonge vogels zorgt voor braken, vertraagde kroplediging, sloomheid, niet willen eten en soms kropverstopping. In oudere vogels kan de krop uitgezet zijn en vol met slijm. De plakkaten van afgestorven binnenbekleding kunnen de kroplediging bemoeilijken. Behalve problemen in de krop kan Candida ook in de bek zitten. Ook hier worden dan witte plakkaten gevormd, bedekt met slijm.

Bij papegaaiachtigen kan Candida ook voor infecties in de luchtwegen zorgen. Vooral na langdurig gebruik van antibiotica (bijvoorbeeld voor een luchtweginfectie veroorzaakt door bacteriën) kan Candida de kop opsteken bij gebrek aan concurrentie.

Besmetting met Candida is bij jonge vogels vaak te wijten aan onvoldoende hygiëne bij de bereiding van papvoeding. In pap die al een tijdje staat kunnen grote hoeveelheden gisten gevonden worden. Ook fruit wat langer ligt kan besmetting veroorzaken.

Diagnose

Vaak zijn de verschijnselen en het verhaal voldoende om een sterke verdenking te hebben. Onder de microscoop kan materiaal bekeken worden dat door middel van een kropswab verkregen is. Na kleuring kunnen de gisten dan gezien worden. Omdat deze normaal in kleine hoeveelheden voorkomen, is het niet 100% bewijzend voor ziekte. Bij kropverzuring worden vaak grote hoeveelheden gisten gezien, die zich aan het vermenigvuldigen zijn.

Behandeling

Dit is met een antischimmelmiddel. Naast het bestrijden van de gistinfectie is het ook erg belangrijk dat er wordt gezocht naar de reden van het ontstaan. Vaak heeft de gist immers pas de kans gekregen om ziekte te veroorzaken nadat de vogel verzwakt is geraakt door een andere oorzaak, zoals een infectie of verkeerde voeding.

Chlamydia psittaci / papegaaienziekte

Deze ziekte wordt veroorzaakt door een bacterie. De chlamydiabacterie kan zich alleen vermenigvuldigen in de cellen van de gastheer.

Bij besmette vogels zit de bacterie in de ontlasting, de urine, in de oog- en neusuitvloeiing, en bij duiven in de kropmelk. Vogels kunnen zich dus via allerlei wegen besmetten, zoals door veerstof en gedroogde ontlasting. Ze kunnen het inademen of met de snavel opnemen. Ook kunnen jonge vogels al in het ei besmet worden via de ouderdieren.

Verschillende lijnen van chlamydia veroorzaken verschillende symptomen. Ook is het zo dat een lijn die voor één vogelsoort dodelijk is, bij een andere vogelsoort nauwelijks symptomen hoeft te veroorzaken.

Als de bacterie binnenkomt bij een vogel, is het afhankelijk van het immuunsysteem wat er gebeurt. De bacterie kan alleen voortleven binnen een cel van de gastheer. Als deze zich daar eenmaal genesteld heeft, is het voor het immuunsysteem moeilijk de bacterie kwijt te raken. Vogels kunnen zo drager worden van de bacterie.

Wat vaak voorkomt is dat een vogel zich besmet met een bacterielijn die niet heel ziekteverwekkend is voor die soort. Het lichaam maakt antistoffen tegen de bacterie en de vogel scheidt de bacterie uit. Dit kan al deze tijd zonder uiterlijke verschijnselen aan de vogel gebeuren. Door het verspreiden van de bacterie zijn deze vogels gevaarlijk voor jonge vogels van dezelfde soort, maar vooral voor vogels van een andere soort. Voor deze kan die bacterielijn wel erg ziekmakend zijn. De dragers zonder verschijnselen kunnen wel ziek worden in tijden van verminderde weerstand of andere infecties.

Jonge vogels die besmet raken met een erg ziekmakende lijn van de bacterie kunnen acuut ernstig ziek worden. Ze worden sloom, hebben bindvliesontsteking, rochelen, hebben het benauwd en krijgen diarree, deze kan groen zijn of juist grijs en waterig. Ze sterven vaak binnen 8-10 dagen, jongen die het overleven hebben vaak een afwijkend verenkleed.

Vogels die besmet raken met een bacterielijn waar ze minder gevoelig voor zijn kunnen een meer chronische ziekte ontwikkelen. Hierbij worden ze mager, hebben groenige diarree, soms bindvliesontsteking. Bij papegaaiachtigen kunnen ook zenuwverschijnselen optreden, zoals trillen, epilepsie achtige aanvallen en sterrekijken. Bij duiven worden vaak bindvliesontsteking en neusuitvloeiing gezien. De verschijnselen kunnen vaag zijn en worden vaak niet herkend. Vogels die niet behandeld worden kunnen binnen een paar weken doodgaan.

Er wordt door vogels die overleven geen immuniteit opgebouwd, ze zijn dus weer net zo vatbaar voor de ziekte als vogels die nog nooit in aanraking zijn geweest met de bacterie. Hierdoor is het ook niet mogelijk tegen deze ziekte te vaccineren.

Diagnose

Omdat de chlamydia bacterie alleen kan leven in cellen van de gastheer, zijn ze moeilijk te kweken. Tegenwoordig wordt het DNA van de bacterie aangetoond. Dit kan in bloed of in een uitstrijkje van de cloaca, vaak wordt het beide gedaan, om de kans zo groot mogelijk te maken dat de bacterie gevonden wordt.

Behandeling

Dit is met antibiotica. Dit kan door het voer of drinkwater. Hierbij moet wel goed opgelet worden dat de vogels voldoende eten of drinken. Ook blijven de vogels nog een paar dagen de bacterie verspreiden omdat het even duurt voordat de antibiotica voldoende werkt. Een andere manier van behandelen is door injecties. Hierbij stoppen de vogels met het verspreiden van de bacterie binnen 24 uur.

Behandeling moet langdurig zijn omdat de bacterie in de cellen van de vogel zelf zit. Hier is het moeilijk te bereiken voor antibiotica. Sommige vogels blijven drager ondanks langdurige behandeling. Ziekte kan dan weer optreden in periodes van verminderde weerstand door bijvoorbeeld een andere ziekte.

Behalve voor vogels is de bacterie ook gevaarlijk voor andere dieren en ook voor mensen. Mensen die besmet zijn krijgen griepachtige verschijnselen. Zonder behandeling kunnen long- en hersenvliesontsteking ontstaan.

Coli / Zweetziekte / Adenovirus / E. Coli complex

Escherichia coli (E.Coli) is een bacterie. Deze kan normaal gesproken ook in de darm voorkomen, maar wordt een probleem als deze andere bacteriën gaat verdringen. Er zijn veel verschillende ondersoorten E. Coli, ieder met hun eigen ziekmakende eigenschappen.

Een van de bekendste ziekte die E.Coli veroorzaakt is zweetziekte. Deze komt voor bij de jongen van papegaaiachtingen maar vooral bij kanaries. De E.Coli-bacterie veroorzaakt ziekte door het produceren van gifstoffen. In de darm zorgen deze ervoor dat de darmcellen veel vocht gaan afgeven. Hierdoor wordt de darminhoud vloeibaar en krijgen de vogels waterdunne, slijmerige diarree. Dit zorgt ervoor dat ze in een hoog tempo uitdrogen en veel voedingsstoffen verliezen. Ze kunnen in grote getale sterven. De nesten en jongen worden erg nat (vandaar de naam zweetziekte) omdat de ouders de dunne mest niet meer kunnen weghalen.

Bij oudere vogels kunnen de gifstoffen behalve de darm ook andere organen aantasten. Hierbij kunnen de vogels veel gaan drinken (bij aantasting van de nieren). Ze kunnen kreupel worden (bij gewrichtsontsteking). Bij kippen komen ontstekingen van de eierstokken en eileiders voor. Ze kunnen sterven als deze zich uitbreiden naar de buikholte.

Bij duiven komt Coli vaak voor in combinatie met een adenovirus. Hierbij wordt gedacht dat de duiven eerst een besmetting met het virus oplopen. Door de verminderde weerstand als gevolg hiervan zijn ze gevoeliger voor E. Coli. De combinatie van deze ziektes zorgt voor slome dieren die niet eten. Ze drinken vaak veel en hebben dunne, slijmerige mest. Door aantasting van de lever kan de mest groen gekleurd zijn.

Bij jonge duiven kunnen grote groepen ziek worden. Bij oudere zijn het vaak de al wat zwakkere dieren die vooral aangetast worden.

Diagnose

E. Coli kan uit de darminhoud/diarree gekweekt worden. Bij verspreiding door het lichaam kan de bacterie ook uit bijvoorbeeld de lever gekweekt worden.

Behandeling

De bacterie wordt gedood met antibiotica. Bij onvoldoende effect, kan een antibiogram gemaakt worden. Hierbij wordt de E. Coli die de problemen veroorzaakt gekweekt en vervolgens wordt gekeken welke antibiotica hier het beste tegen werkt. Ook bij duiven met een gecombineerde besmetting, wordt behandeld met antibiotica. Na het oplossen van de besmetting met E. Coli, moet de duif vervolgens zelf het virus bestrijden.

Kliermaag verwijdingssyndroom

Dit is een aandoening die voorkomt bij papegaai- en parkietachtigen. De ziekte kan zich ontwikkelen na besmetting met een bornavirus.

Het komt het meest voor bij jongere vogels, maar ook ouderen kunnen verschijnselen ontwikkelen. De verschijnselen worden veroorzaakt door een aantasting van de hersenen en van de zenuwen van kliermaag, spiermaag en voorste deel van de dunne darm. De spieractiviteit van deze organen wordt hierdoor minder, en ze zullen uitrekken. Dit zorgt ervoor dat er geen goed transport meer is van voedsel naar verder gelegen delen van het maagdarmkanaal. Hierdoor ontstaat onder andere braken. Er kan onverteerd voer in de ontlasting zitten en de vogels worden mager en sloom. De verschijnselen kunnen binnen drie weken na besmetting optreden maar soms worden pas verschijnselen gezien jaren na de blootstelling aan het virus.

Naast de verschijnselen die direct door de zenuwaantasting veroorzaakt worden, kunnen de vogels vatbaarder zijn voor bijkomende infecties. Zo is de krop vaak lange tijd gevuld doordat er slechter transport naar de kliermaag is. Er kan in deze situatie makkelijk kropverzuring optreden. Ook wordt er soms diarree gezien. Dit wordt dan veroorzaakt door bacteriën of schimmels die hun kans grijpen. Ze kunnen zich snel vermenigvuldigen doordat de darminhoud niet goed verteert is. Hierin zitten dan meer voedingsstoffen dan bij een gezonde vogel.

Naast de zenuwen van het maagdarmkanaal die aangetast worden, kunnen bij sommige vogels ook andere zenuwen betrokken zijn. Vogels kunnen zwak worden in de poten als het ruggenmerg of de pootzenuwen worden aangetast. Als de ziekte de hersenen bereikt, kunnen de vogels wankel worden, draainekken en verlamd raken.

Diagnose

Er zijn verschillende manieren om het virus aan te tonen. Er kan het DNA van het virus worden aangetoond in het bloed. Ook kunnen er antistoffen worden gemeten die de vogel aanmaakt als gevolg van de besmetting met het virus. Het voordeel van deze testen is dat ook vogels die (nog) niet zichtbaar ziek zijn, wel gevonden worden. Dit is belangrijk om verspreiding in een volière of huishouden te voorkomen.

Als een vogel is overleden aan de ziekte, kan er aan de staat van de organen vaak wel een waarschijnlijkheidsdiagnose worden gesteld.

Er kunnen biopten genomen worden van de spier en kliermaag die onder de microscoop bekeken worden. Er wordt dan beoordeeld hoe het met de staat van de zenuwen is. Als deze voor het grootste deel afwezig zijn is de diagnose gesteld. Dit kan gemakkelijk gedaan worden bij een dode vogel. Als de vogel nog leeft kunnen deze biopten ook genomen worden, maar er is dan een extra risico van de narcose en operatie.

Als de vogel nog in leven is kunnen röntgenfoto’s gemaakt worden. Hierop kan dan een uitgerekte kliermaag gezien worden. Als er verschillende foto’s met tussenpozen gemaakt worden kan ook een vertraagde maaglediging vastgesteld worden. Als dit allemaal aanwezig is, is de diagnose waarschijnlijk, maar niet 100% zeker. Ook andere aandoeningen kunnen namelijk deze verschijnselen vertonen, bijvoorbeeld tumoren die de uitgang van de kliermaag deels blokkeren.

Behandeling

Er is tot nu toe geen behandeling mogelijk. Wel kan er een ondersteunende behandeling gegeven worden. Dit bestaat uit het opheffen van verstoppingen. Daarna kan een zacht of vloeibaar voedsel gevoerd worden, hiervan is het transport gemakkelijker. Ook pellets lijken de vogels gemakkelijker te kunnen verwerken dan zaden. Naast aanpassing van het voer, moet er goed op gelet worden dat er geen infecties spelen. Deze moeten ook behandeld worden. Aangezien de ziekte steeds verder gaat is de prognose slecht.

Paramyxovirus / PMV / Pseudovogelpest

Verschillende varianten van het virus zorgen voor verschillende ziektebeelden. Bijna alle vogelsoorten zijn gevoelig voor een of meerdere van de virusvarianten.

PMV-1/NCD

De meest bekende variant van het virus type 1 is datgene wat New Castle Disease veroorzaakt (het NCD-virus). Deze ziekte heeft economisch gezien veel invloed. Het is een ziekte die vooral bekend is bij kippen, maar het virus kan bijna alle vogelsoorten besmetten. Vogels besmetten zich door het opnemen van ontlasting van zieke vogels of van vogels die het virus uitscheiden maar zelf niet ziek zijn (de dragers).

Erg ziekteverwekkende stammen van het NCD-virus kunnen plotselinge dood veroorzaken zonder dat voorafgaand daaraan ziekte is gezien. Ziekteverschijnselen die gezien worden zijn: diarree, niet eten en benauwdheid. Bij een wat langzamer verloop van de ziekte kunnen de kippen zenuwverschijnselen hebben zoals evenwichtsproblemen.

PMV-1/Pigeon

Bij duiven komt ook paramyxovirus type 1 voor, maar in een andere variant. Deze lijkt erg op het NCD-virus. Na opname van het virus gaan duiven meer drinken, ze eten minder, krijgen diarree en kunnen braken. Het meest typisch zijn de zenuwverschijnselen: ze trillen met de vleugels en kop en kunnen draainekken. Jonge duiven kunnen sterven door de ziekte, oudere kunnen genezen in drie tot vier weken.

Bij andere vogelsoorten kan het virus type 1 een grote hoeveelheid vage verschijnselen zoals bindvliesontsteking, ademhalingsproblemen, diarree en zenuwverschijnselen veroorzaken.

PMV-3

Deze variant van het virus veroorzaakt vooral ziekte bij zangvogels en papegaaiachtigen. Bij vogels zoals gould amadines en verschillende soorten vinken, geeft besmetting in het begin een bindvliesontsteking, daarna ontstaat gele diarree, moeilijk eten en moeite met ademhalen. Een deel van de vogels kan sterven, een ander deel geneest.

Bij papegaaiachtigen vallen de zenuwverschijnselen het meeste op. Deze zijn hetzelfde als bij duiven met PMV-1.  Hiernaast kunnen de lever en nieren aangetast zijn en de vogels kunnen diarree hebben.

Behandeling en preventie

Duiven kunnen gevaccineerd worden vanaf vier weken. Dit voorkomt niet volledig dat de duiven ziek worden, maar het verloop is minder lang en heftig. Specifieke behandeling voor zieke vogels is niet mogelijk. Met antibiotica kan geprobeerd worden bijkomende bacteriën te bestrijden.

Vogels die ernstige zenuwverschijnselen hebben, kunnen moeite hebben de voerbak te bereiken. Deze zullen zorg in de vorm van voeding met de hand nodig hebben om verhongering te voorkomen. Herstel van het virus is mogelijk zonder restverschijnselen. Dit zal afhangen van de weerstand van de vogel, en van het feit of er bijvoorbeeld bijkomende bacteriën bijkomen.

Parasieten

Er zijn veel parasieten die bij vogels voorkomen. Een vogel die binnen gehouden wordt, zonder veel contact met de buitenwereld, zal minder vaak besmet zijn dan vogels in bijvoorbeeld een buitenvolière. Veel parasieten kunnen in en op de vogel aanwezig zijn zonder dat daarvan zichtbare verschijnselen opvallen. Vaak treden klachten op als de vogel om de een of andere reden minder gezond wordt (bijkomende ziekte, voedingstekorten, enzovoort). Ze kunnen op dat moment wel last krijgen van de parasieten.

Wormen

Lintwormen

Deze wormen komen voor in de darm. Ze komen onder andere voor bij vinken en papegaaiachtingen. Bij besmetting kunnen de vogels vermageren en diarree krijgen. Een besmetting kan ook zonder verschijnselen verlopen. Omdat lintwormen een tussengastheer nodig hebben, komen ze bijna nooit voor bij vogels die geen toegang hebben tot grond en/of aarde. Deze komen vooral voor bij importvogels.

Rondwormen

De meest voorkomende soorten komen voor in de dunne darm. Als eieren, met hierin larven, worden opgenomen, graven deze zich in, in de binnenbekleding van de darm. Dit kan zonder verschijnselen gaan of (vooral bij zwaardere besmettingen) met diarree, gewichtsverlies en groeistoornissen. Als er veel wormen zijn, kunnen deze met z’n allen zelfs de darmen verstoppen. Eieren worden verspreid met de ontlasting. Ze blijven in de omgeving nog lang besmettelijk. Vogels die geen toegang hebben tot de ontlasting van andere vogels of besmette aarde hebben weinig kans om zich te besmetten.

Draadwormen/Capillaria

Dit zijn dunne wormen die in de dunne darm voorkomen. Ze graven zich in in de binnenbekleding van de darm. De vogels kunnen diarree hebben (soms met bloed) of ze braken. Doordat de Capillaria voor beschadigingen zorgen, kan het bloedverlies ook bloedarmoede tot gevolg hebben. De vogels zijn dan bleek en hebben weinig energie.

Gaapworm (Syngamus trachea)

Deze worm bevindt zich in de luchtpijp. Hij komt vooral voor bij hoender- en eendachtigen. Jonge vogels zijn het meest gevoelig voor deze worm. Bij een besmetting worden ze benauwd, ze gaan met open snavel ademen en schudden met de kop. Als de binnenkant van de luchtpijp erg beschadigd is, kan er bloed rond de snavel zitten wat de dieren naar buiten schudden. Ze kunnen sterven door verstikking als de luchtpijp wordt afgesloten door ontstoken, afgestorven weefsel.

Diagnose

De diagnose van een wormbesmetting wordt gesteld door middel van ontlastingsonderzoek. Hierbij wordt onder de microscoop gekeken of er wormeieren in zitten. Als dieren zijn overleden kunnen de wormen direct in de darmen (of in de luchtpijp bij de gaapworm) gezien worden.

Therapie

Wormen kunnen bestreden worden door een antiwormmiddel voor vogels te gebruiken. Als de wormen hierdoor gedood worden, kunnen ze in de mest gezien worden. Hiernaast is het belangrijk om besmetting te voorkomen. De minste kans op besmetting bestaat als de vogels geen contact hebben met ontlasting. Ook in grond of aarde blijven wormeieren lang besmettelijk. Daarnaast is het regelmatig schoonmaken van het hok een goede manier om de besmettingskans zo klein mogelijk te houden.

Insecten

Luizen

Deze veroorzaken jeuk en een slechte veerconditie. De luizen zitten op de veren en hun eitjes (neten) plakken hieraan vast. De diagnose is te stellen door nauwkeurig onderzoek, eventueel kunnen de luizen onder een microscoop gezien worden.

Mijten

Schurftmijt/ Knemidokoptes

Deze mijt zorg het meest voor problemen bij grasparkieten, hierbij ontstaat het zogenaamde ‘scaly face’. Hierbij kan de snavel zeer groot en afwijkend van vorm worden, ook de huid in het gebied rond de snavel (ogen en neusdoppen) kan verdikt en onregelmatig worden. Bij andere papegaaisoorten zijn de verschijnselen meestal ook tot het kopgebied beperkt De huid wordt dik en schilferig, ook na genezing kunnen littekens overblijven.  

Bij andere vogels zoals kippen is meer vervorming van de poten wat het meest opvalt. Hierbij ontstaan grove schilfers en de poten kunnen verdikt raken (kalkpoten). Ook kanaries krijgen afwijkingen aan de poten als gevolg van een besmetting. Hierbij ontstaan grote massa’s van verdikte huid waardoor de vogels moeilijk kunnen lopen.

In een koppel kunnen sommige vogels wel besmet zijn terwijl hun hokgenoten geen verschijnselen laten zien. Een mogelijkheid is dat bepaalde lijnen van ingeteelde vogels gevoeliger zijn dan andere. Ook na periodes van stress worden meer vogels met verschijnselen gezien.

Diagnose

Deze wordt vaak gesteld aan de hand van het voorkomen van de afwijkingen. Ook kan de mijt gezien worden onder de microscoop. De mijt is te klein om met het blote oog gezien te worden.

Luchtpijpmijt / Sternostoma tracheocolum

Deze komt voor bij kanaries, vinken en parkieten. De mijt leeft in de luchtpijp en luchtzakken. Afhankelijk van de zwaarte van de besmetting kunnen de vogels benauwd zijn, hoesten, niezen of bij erg zware besmettingen kunnen de vogels zelfs sterven door verstikking.

Diagnose

In sommige gevallen kunnen de mijten gezien worden in de luchtpijp door een sterke lamp achter de nek van de vogel te houden. Het licht schijnt dan door de weefsels heen en de mijten kunnen gezien worden als kleine zwarte stipjes. Ook kunnen de eitjes in de ontlasting gezien worden.

Veermijt

Deze veroorzaken vaak weinig problemen bij de vogels waarbij ze van nature voorkomen. Problemen ontstaan als ze op een vogel terechtkomen die nog nooit met deze mijtsoort in aanraking is geweest. Ook geven veermijten problemen als ze (bij zware besmettingen) ook op de huid aanwezig zijn. Er ontstaat dan jeuk, en de veren van deze vogels zijn van slechte kwaliteit.

Bloedmijt / Dermanyssus

Worden ook bloedluis genoemd. Deze zuigen bloed bij de vogels en kunnen zo bloedarmoede veroorzaken. Overdag zitten de mijten in het hok, verstopt in kieren en naden. ‘s Nachts als de vogels in het hok zijn, gaan ze over op de vogels. De diagnose is dus niet te stellen door (overdag) de vogels te onderzoeken. Wel kunnen de mijten ’s nachts op de vogels gevonden worden, deze zijn met het blote oog te zien. 

Therapie tegen infecties door insecten

Hiervoor kan een antiparasiticum voor vogels gebruikt worden. Eén (of meerdere) druppeltjes in de nek is vaak voldoende om de vogel parasiet vrij te maken. Daarnaast moet de omgeving grondig worden gereinigd. Dit kan met een parasietdodende spray.

Eéncellige parasieten

Flagellaten (Trichomonas, Giardia, Hexamiten)

Trichomonas: zie trichomonas/het geel

Giardia

Deze parasiet leeft in de darmen. Vogels die besmet zijn hoeven geen verschijnselen te laten zien. Deze vogels scheiden wel giardiaparasieten uit met de ontlasting. Ze kunnen zo andere vogels besmetten. Vogels die wel verschijnselen laten zien, kunnen stinkende ontlasting hebben, slijmerige diarree, en ze kunnen mager worden. Na een tijdje kunnen ze sloom worden en stoppen met eten. Door de slechte conditie die op deze manier ontstaat, zijn ze gevoelig voor allerlei andere soorten ziektes. Jonge vogels kunnen slechter groeien en zelfs sterven bij een zware besmetting.

Hexamiten

Dit zijn parasieten die lijken op Giardia, maar zijn iets kleiner. Ook deze leven in de darmen. Vaak wordt bij een besmetting een milde diarree gezien die maar niet over gaat. Bij gezonde duiven kan de parasiet in de darmen gevonden worden. Deze kan problemen gaan geven als de duif om een andere reden ziek wordt.

Diagnose

Het actieve stadium van de parasiet kan gezien worden in hele verse ontlasting (Hexamiten en Giardia) of een vers kropuitstrijkje (Trichomonas). Onder de microscoop zijn dan de bewegende parasieten te zien. Als de ontlasting/uitstrijkje is afgekoeld stoppen de parasieten met bewegen en zijn dan moeilijk meer te herkennen. Het ruststadium van de parasieten kan ook in de ontlasting gevonden worden, dit zijn cysten.

Behandeling

Er zijn verschillende antiparasitaire middelen die tegen deze parasieten werken. Helaas komt resistentie ook steeds meer voor, vooral tegen Trichomonas. De medicatie kan direct in de bek/krop gegeven worden of door het drinkwater.

Coccidiën (Eimeria, Isospora, Atoxoplasma)

Eimeria en Isospora

Besmettingen met deze ééncellige parasieten kunnen zonder verschijnselen bestaan. Andere vogels krijgen bloed in de ontlasting, sloomheid, diarree, stoppen met eten en bij zware besmettingen kunnen de vogels ook sterven. Eimeria soorten komen vooral voor bij zangvogels en papegaaiachtigen. Isospora soorten vooral bij hoenderachtigen en duiven. Bij deze soorten is het een belangrijke oorzaak van darmontsteking. Dieren besmetten zich door opname van water of voer dat besmet is met ontlasting van andere vogels.

Diagnose

De ruststadia van de parasiet (oöcysten) kunnen in de ontlasting gezien worden onder de microscoop.

Behandeling

Dit is met een antiparasitair middel door drinkwater of direct in de snavel. Daarnaast is het erg belangrijk herbesmetting te voorkomen en de hoeveelheid oöcysten in de omgeving zo laag mogelijk te krijgen. De ruststadia van de eencellige parasieten (de oöcysten) zijn erg resistent tegen de meeste schoonmaakmiddelen. De meest betrouwbare manier om zo veel mogelijk cystes te doden is door hoge druk stoomreiniging. Kleine onderdelen van de kooi/volière, zoals voerbakjes en zitstokken, kunnen 15-30 minuten in kokend water uitgekookt worden. Dit doodt ook de cysten.

Atoxoplasma

Zie atoxoplasmose / dikke leverziekte.

Bek- en vederrot / PBFD / Psittacine Beak and Feather Disease

Deze ziekte wordt veroorzaakt door een circovirus, en komt voor bij papegaaiachtigen. Vogels raken besmet door het met de snavel opnemen, of inademen van virusdeeltjes. Deze zitten in de mest en veerstof van besmette vogels en zijn erg resistent tegen schoonmaakmiddelen.

Er zijn verschillende vormen van de ziekte. Er is de acute vorm. Deze komt het meest voor bij vogels die al op jonge leeftijd besmet zijn geraakt. De eerste verschijnselen treden op als ze het nest dons verliezen en het volwassen verenpakket gaan ontwikkelen De groeiende veren sterven af, breken, buigen of ze bloeden uit de veerschacht. Ook kunnen de veren (als ze wel uitgroeien) voortijdig uitvallen. Naast de veerafwijkingen kunnen de vogels ook last hebben van sloomheid, stoppen met eten en vertraagde kroplediging. Ze kunnen in één tot twee weken sterven.

De chronische vorm van PBFD zorgt voor een verslechtering van het verenkleed. Het virus grijpt aan op veren die zich aan het ontwikkelen zijn. Dit betekent dat bij veel papegaaien de donsveertjes het eerst aangetast worden. Deze ruien tenslotte continu, wat betekent dat er continu nieuwe veertjes aan het groeien zijn. De grote slagpennen en contourveren zullen tijdens iedere ruiperiode meer afwijkend worden. De veren die doorkomen stoppen vaak te vroeg met groeien. Ze kunnen afwijkend van vorm zijn of gemakkelijk afbreken. Het kan ook zijn dat in de eerste periode alleen de kleuren van de veren afwijkend zijn. Als een vogel met de ziekte lang genoeg leeft, zal deze uiteindelijk kaal eindigen.

Problemen met de snavel bestaan uit te lang groeien, breken en in de mondholte kan het slijmvlies ontsteken of zelfs afsterven.

Naast de problemen die het virus veroorzaakt met de veren en snavel, zorgt het ook voor en vermindering van de afweer. Hierdoor zijn besmette/zieke vogels veel gevoeliger voor allerlei andere infecties en zullen ze ook eerder ziek worden als de omstandigheden niet optimaal zijn.

Naast vogels die duidelijk zichtbare verschijnselen hebben, zijn er ook dragers van de ziekte. Deze hebben het virus in hun lichaam en kunnen ook anderen besmetten. Zelf vertonen ze geen tekenen van ziekte. Ze kunnen de ziekte wel ontwikkelen in tijden dat de weerstand verlaagd is. Dit kan bijvoorbeeld komen door een andere ziekte, tekorten in voeding of stress.

Diagnose

Het virus kan in het bloed worden aangetoond. Vogels die veer/snavelafwijkingen hebben en daarnaast positief testen (het virus zit dus in het bloed) hebben een actieve PBFD infectie. Vogels zonder tekenen van de ziekte die positief testen, zijn ofwel drager, of het kan zijn dat ze het virus net gekregen hebben en nog geen zichtbare verschijnselen hebben. Er zijn vogels die na infectie het virus weer kwijt kunnen raken door een goede reactie van het afweerapparaat. Positieve vogels zonder verschijnselen kunnen daarom het beste na 90 dagen nogmaals getest worden. Zij kunnen dan negatief zijn.

PBFD-positieve vogels moeten weggehouden worden van gezonde vogels en zeker van jonge papegaaiachtigen. Mensen die in contact komen met zieke vogels moeten zeker ook rekening houden met het feit dat het virus gemakkelijk overgedragen kan worden door bijvoorbeeld veerstof aan handen en kleding.

Vogels die besmet zijn, kunnen dit doorgeven aan hun jongen. Deze kunnen in het ei al besmet zijn, of de ouderdieren besmetten hun jongen bij het voeren uit de krop.

Behandeling

Tegen het virus zelf is geen behandeling mogelijk. Een zieke vogel kan nog een tijd overleven als er geen bijkomend infecties optreden, zoals met een schimmel of een bacterie. Optimale voeding en huisvesting is dus erg belangrijk. 

Pokken / hapziekte

Pokken worden veroorzaakt door het pokkenvirus. Dit virus bestaat in veel verschillende varianten, elk specifiek voor een vogelsoort of ondersoort. Het virus komt binnen door wondjes in de huid of slijmvliezen. Dit kan tijdens een gevecht gebeuren, maar ook de steek van een insect kan het virus overbrengen.

Bij een besmetting met een zwak virus (voor die vogel) kan de enige uitingsvorm van de ziekte een bultje op de plaats van besmetting zijn. Bij een sterker virus gaat de besmetting het hele lichaam rond.

Er zijn verschillende ziektebeelden bekend:

Huidvorm/droge pokken

Deze wordt vooral gezien bij roofvogels en zangvogels. Er ontstaan bulten op de onbevederde huid rond ogen, snavel, neusgaten en aan de voeten. De bultjes worden blaasjes die opengaan. Er ontstaat een korst die er na een aantal dagen tot weken afvalt. Bij ongecompliceerde besmettingen blijven geen littekens achter. Als in de open blaasjes besmetting met een bacterie of schimmel optreedt, kan de genezing ernstig vertraagd worden. In sommige gevallen blijven de bultjes intact. Afhankelijk van de plek zullen ze problemen geven, of niet.

Natte pokken

Komt vooral voor bij papegaai- en parkietachtigen, sommige duiven en fazantachtigen. Hierbij ontstaan de pokken op het slijmvlies van de tong en keel. Deze geven problemen met eten en zelfs ademen. Ook bloeden ze gemakkelijk.

Vorm met bloedvergiftiging

Dit is de meest dodelijke vorm. Het komt vooral voor bij kanaries en vinken. Het virus zorgt voor een longontsteking en de vogels zijn erg benauwd. Ze ‘happen’ naar lucht (hapziekte). De vogels zijn acuut ziek, ze zitten bol, stoppen met eten en het grootste deel (70% tot wel 99%) sterven binnen drie dagen. Er zijn vaak geen pokken op de huid te zien, daarom is de diagnose tijdens het leven moeilijk te stellen. De ziekte kan ook langzamer gaan, de vogels sterven dan vaak na enkele maanden.

Tumoren

Sommige pokkenvirussen kunnen de gevoeligheid voor tumoren vergroten. Dit komt vooral voor bij zangvogels en duiven. De tumoren zijn snelgroeiende wratachtige woekeringen die gemakkelijk bloeden. De therapie is verwijdering door chirurgie.

Diagnose

Bij de huidvorm is het vaak aan het uiterlijk al een zeer waarschijnlijke diagnose. De natte vorm en die met bloedvergiftiging is moeilijker. Hier moet het virus in de cellen aangetoond worden.

Behandeling

De behandeling bestaat uit het voorkomen van bijkomende besmettingen met bacteriën en schimmels. Tegen het virus zelf is geen behandeling

Inenting

Inenting is mogelijk. Dit beschermt een klein jaar. Vogels die al een besmetting onder de leden hebben, mogen niet ingeënt worden. De verschijnselen kunnen dan verergeren.

Polyoma / Kruipersziekte

Dit is een ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Bij verschillende vogelsoorten geeft het verschillende symptomen.

Grasparkieten

Bij deze vogels is een vorm die bekend staat onder de naam kruipersziekte. Hierbij verliezen de jonge grasparkieten, rond het tijdstip van uitvliegen, hun slag- en staartpennen. Deze kunnen uitvallen of afbreken, waarbij ze behoorlijk wat bloed kunnen verliezen. De vogels kunnen niet meer vliegen en kruipen door het hok. Deze vorm kunnen de vogels overleven. Het ziekteverloop kan ook meer dodelijk zijn. De grasparkieten kunnen dan plotseling sterven op een leeftijd van 10-15 dagen. Hiervoor zijn er geen verschijnselen gezien. Als de ziekte wat langzamer gaat, kan gezien worden dat de buik vergroot is. Er kunnen bloedingen onder de huid ontstaan, de vogels kunnen moeite hebben met het evenwicht en de veren zijn afwijkend.

Papegaaiachtigen

Ook hier kunnen de ziektebeelden sterk verschillen. Jonge vogels die geïnfecteerd raken kunnen plotseling sterven, dit kan gaan zonder voorafgaande verschijnselen. Als de ziekte iets langzamer gaat, ontstaan er eerst verschijnselen zoals sloomheid, niet willen eten, gewichtsverlies, diarree, onderhuidse bloedingen en bemoeilijkte ademhaling. Ziekte komt het vaakst voor ten tijde van het uitvliegen. Na begin van de symptomen sterven de meeste jongen binnen 12 tot 48 uur. Jongen die overleven, worden dan vaak dragers die het virus blijven uitscheiden.

Oudere vogels die besmet raken worden vaak niet ziek. Dieren die wel ziek worden hebben vaak een meer slepende vorm van de ziekte. Hierbij eten ze af en toe wat minder, drinken veel, zijn gevoeliger voor allerlei andere infecties, zoals veroorzaakt door bacteriën en schimmels. Soms hebben ze ook een afwijkend verenkleed, maar dit komt niet zo vaak voor als bij grasparkieten. Vogels kunnen herstellen, hoewel een deel van deze dieren later alsnog overlijdt aan nierschade die het virus heeft veroorzaakt. Oudere vogels kunnen een verspreider van het virus worden zonder ooit ziekteverschijnselen te hebben laten zien.

Diagnose

Bij levende vogels kan bloed afgenomen worden, hierin kan DNA van het virus worden aangetoond. Bij dode vogels kan een het virus in lever en nieren gevonden worden. Ook kan een swab genomen worden uit de cloaca. Hiermee wordt echter alleen aangetoond of de vogel het virus uitscheidt of niet. Een negatieve uitslag betekent daarom niet automatisch dat de vogel niet besmet is. De uitscheiding van het polyoma virus kan wisselend zijn. Een bloedtest is hierom betrouwbaarder.

Oudere vogels die besmet raken, kunnen door een goede afweer het virus weer kwijt raken. Daarom wordt aangeraden bij een vogel die positief is, de bloedtest na 45-60 dagen te herhalen. De vogel kan dan negatief zijn.

Behandeling

Er is geen specifieke behandeling mogelijk tegen het virus. Oudere vogels die besmet raken, worden vaak ziek na een periode van stress. Het voorkomen van stress is daarom belangrijk. Jonge vogels waarbij de bloedstolling verstoord is (waarbij dus onderhuidse bloedingen optreden) kunnen injecties met vitamine K krijgen. Deze helpen met de bloedstolling. Als een vogel echter al zo ziek is, zullen ze in de meeste gevallen snel sterven.

Preventie

Het belangrijkste is voorkomen van besmetting. Het is daarom erg belangrijk bij aankoop van nieuwe vogels, om zeker te weten dat deze niet besmet zijn en zo het virus kunnen introduceren. Er wordt aangeraden voor aankoop een bloedtest te laten doen, dit is zeker belangrijk als u thuis al vogels heeft.

Salmonella

Dit is een bacterie die bij veel dieren voorkomt. Vogels besmetten zich door het opnemen van de bacteriën met de bek. Salmonella zorgt vooral voor ziekte als de vogel verzwakt is, of als de normale darmbacteriën afwezig zijn, of niet in de goede samenstelling hebben.

Kuikens in het ei kunnen al besmet zijn. Bij een zware besmetting zullen ze in de meeste gevallen in het ei doodgaan. Kuikens die een lichte besmetting doormaken kunnen levend uit het ei komen. Ze zijn dan drager, de Salmonella leeft in de darmen en ze kunnen via de mest andere vogels besmetten .Zelf zijn ze vaak niet ziek. Het is wel zo dat de Salmonella in perioden van verminderde weerstand de overhand kan krijgen, dan zullen ze wel ziekteverschijnselen laten zien.

Verschijnselen

Er zijn verschillende lijnen van Salmonella, en sommige zijn meer in staat om ziekte te veroorzaken dan anderen. Een virulente Salmonella zal een vogel eerder ziek maken. Dit omdat het door de darm heen kan dringen en zo ook de rest van het lichaam kan besmetten. Er ontstaat dan bloedvergiftiging. Vogels die met de virulente bacteriën besmet raken zijn vaak acuut ziek. Ze zijn sloom, stoppen met eten, drinken erg veel en hebben diarree. Vogels met een goede afweer kunnen overleven, maar veel gaan ook dood bij een dergelijke infectie.

Minder virulente Salmonella’s kunnen alleen in de rest van het lichaam komen als het slijmvlies van de darm al kapot is. Bijvoorbeeld na een infectie met een andere ziekteverwekker. Vogels kunnen lange tijd besmet zijn met deze Salmonella zonder duidelijke verschijnselen. Als de minder virulente Salmonella eenmaal door de darmwand is, veroorzaakt het dezelfde verschijnselen als de virulente Salmonella.

Een vogel die niet doodgaat van de bloedvergiftiging kan ook een meer chronische ziekte krijgen. Hierbij kunnen verschillende verschijnselen optreden, zoals zenuwverschijnselen, gewrichtsontstekingen, benauwdheid en oogontsteking.

Diagnose

Bij vogels die nog leven kan de Salmonella bacterie in de ontlasting worden aangetoond. Er wordt dan ontlasting op kweek gezet. Ook kan er op deze manier gekeken worden welke antibiotica het beste tegen deze specifieke Salmonella werkt.

Op vogels die zijn overleden kan sectie gedaan worden. Hierbij wordt gekeken hoe de organen eruit zien, ook kunnen afwijkende organen op kweek gezet worden. Hierbij is na een paar dagen duidelijk of er Salmonella in de organen heeft gezeten.

Therapie

Vogels worden met antibiotica behandeld.

Ook vogels die op het oog geen duidelijke verschijnselen vertonen maar wel besmet zijn, kunnen het beste behandeld worden. Dit omdat de bacterie in perioden van verminderde weerstand voor problemen kan gaan zorgen, maar ook omdat de dragers wel andere vogels kunnen besmetten doordat ze de bacterie via de mest verspreiden.  Ook mensen met een verlaagde weerstand en kinderen kunnen flink ziek raken na een besmetting met Salmonella.

Vogels die in het ei al besmet zijn geraakt, of vogels met een chronische langdurige besmetting met de bacterie zijn vaak moeilijk vrij te krijgen. Het effect van de behandeling  met antibiotica kan daarom het beste gecontroleerd worden aan het einde van de kuur. Dit kan door nogmaals ontlasting op kweek te zetten.

Preventie

Goede hygiëne in de verblijven is erg belangrijk. Bij herhaalde problemen kan het zinvol zijn om uit te zoeken of er vogels in het verblijf aanwezig zijn die Salmonella bij zich dragen. Deze besmetten de omgeving continue en kunnen zo gezonde vogels blijven besmetten.

Als vogels goed gezond zijn zouden zij voldoende weerstand moeten hebben om ziekte veroorzaakt door Salmonella te voorkomen. Hierbij zijn de normale bacteriën in de darm van groot belang. Als deze in goede conditie zijn, is er voor de Salmonella bacteriën ‘geen plaats’. Besmetting leidt dan niet tot ziekte maar de vogel zorgt dat hij de bacterie weer kwijt raakt. Een probioticum door het voer of water kunnen hier positief aan bijdragen. Voor duiven en kippen bestaat er een vaccinatie tegen Salmonella. Voor overige vogels wordt vaccinatie (nog) niet veel gebruikt.

Voedingsproblemen

Veel problemen bij vogels zijn terug te leiden op voeding die niet optimaal is samengesteld. Er komen veel tekorten in de voeding voor, maar ook een te grote hoeveelheid vitaminen kunnen problemen veroorzaken.

Zaadmengsels zoals in dierenspeciaalzaken verkocht worden zijn niet geschikt als compleet voer. In deze mengsels missen een aantal onmisbare voedingsstoffen, waaronder bepaalde vitamines, mineralen en aminozuren. Daarom is het nodig aan het zaadmengsel een voedingssupplement toe te voegen. Hierbij is het belangrijk dat op de verpakking vermeld staat wat er precies inziet. Als dit niet zo is, kan de samenstelling per keer veranderen.

Voer van een niet optimale samenstelling kan voor verschillende problemen zorgen:

Vetzucht

Vogels zullen een voorkeur hebben voor bepaalde delen van het zaadmengsel. Vaak zijn dit de zonnepitten. In zonnepitten zit erg veel vet. Als de vogels naast het selectief eten ook nog weinig bewegen, kunnen ze snel veel te dik worden. Vooral kaketoes, amazones en grasparkieten zijn hier gevoelig voor. Ze kunnen vettumoren (lipomen) ontwikkelen, er kan schade aan de lever ontstaan en hartfalen.

Vitamine tekorten

Vitamine A

Dit wordt in de lever gevormd uit bètacaroteen. Als deze bouwstof te weinig in het voer zit kunnen tekorten ontstaan. Vitamine A is belangrijk in de vorming van slijmvliezen en huid. Slijmvliezen vormen de binnenbekleding van verschillende belangrijke organen. Bij een tekort aan vitamine A worden deze dikker dan normaal. Dit zorgt voor allerlei problemen. Zo kunnen de vogels problemen krijgen met de nieren als de afvoergangen hiervan dicht gaan zitten door de te dikke slijmvliezen. Ze kunnen benauwd worden als de luchtpijp (deels) dicht gaat zitten.

Behalve de slijmvliezen kan ook de huid op de poten afwijkend worden. Ook deze zal dikker worden. Als dit op de voetzolen gebeurt, verhoogt dit de kans op het ontstaan van bumblefoot.

Vitamine D

Een deel van het vitamine D wat een vogel gebruikt nemen ze op uit het voer. Daarnaast worden bouwstoffen voor vitamine D onder invloed van zonlicht in het lichaam omgezet in vitamine D. Als er onvoldoende vitamine D in het voer zit, en daarnaast wordt de vogel binnen gehouden (zonder direct contact met zonlicht) kunnen er gemakkelijk tekorten ontstaan.

Vitamine D zorgt ervoor dat calcium in het voer goed wordt opgenomen. Een tekort aan vitamine D kan ervoor zorgen dat dit minder gebeurd en zo kan ook een tekort aan calcium ontstaan, zeker als dit toch al weinig in het voer aanwezig is.

Bij jonge vogels kunnen botten vervormen omdat ze niet sterk genoeg worden door het gebrek aan calcium. Oudere vogels krijgen botontkalking en kunnen sneller de botten breken. Bij leggende vogels worden vaak eieren met een erg dunne schaal gezien.

Vitamine E

Vitamine E is een antioxidant. Dit betekent dat het door schadelijke stoffen weg te vangen schade aan cellen voorkomt. Als er naast een tekort aan vit E ook een tekort is aan het mineraal selenium kunnen spieren aangetast worden. De vogels zijn zwak, soms lijken ze verlamd. Als ook de spieren in de spiermaag zijn aangetast verteren ze het voer minder goed.

Een gebrek aan vitamine E kan ook zorgen voor hersenverschijnselen, vooral bij kippen is dit een bekend verschijnsel. De vogels hebben last van het evenwicht, kunnen trillen en draainekken.

Mineralen tekorten

Calcium

Dit is belangrijk voor de vorming van botten en eischalen, en speelt een rol in de aansturing van spieren. Bij tekorten in de voeding zal het lichaam calcium die het nodig heeft uit de botten gaan halen. Deze worden als gevolg daarvan broos en breken gemakkelijk.

Bij de grijze roodstaart komt daarnaast een ziekte voor waarbij het lichaam calcium nodig heeft maar het niet lukt dit uit de botten te halen. De vogels krijgen hierbij aanvallen waarbij ze van de stok vallen en erg slap zijn. Deze vogels hebben levenslang extra calcium in het voer nodig.

Jodium

Dit is nodig om schildklierhormoon aan te maken. Als er te weinig jodium in het voer zit, zal de schildklier als compensatie sterk gaan vergroten. De schildklier zit bij vogels onderaan de nek, net voor de ingang tot de borstholte. Vergroting van de klier kan zorgen dat de luchtpijp voor een deel wordt dichtgedrukt. Dit veroorzaakt benauwdheid. Als de klier op de uitgang van de krop drukt, kan een vertraagde kroplediging ontstaan of de vogel kan het opgenomen voer weer uitbraken.

Terug naar De vogel

Contactinformatie praktijk

Vogelziekenhuis

Terug
  • Ma
    8.00 - 19.00 uur
  • Di
    8.00 - 19.00 uur
  • Wo
    8.00 - 19.00 uur
  • Do
    8.00 - 19.00 uur
  • Vrij
    8.00 - 19.00 uur
  • Za
    9.00 - 17.00 uur
  • Zo
    Gesloten
Terug

Vind ons hier:

Dr. Grashuisstraat 8 7021 CL Zelhem
ontvang een routebeschrijving via Google Maps